słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Tłumaczenie:
waar niet aan te doen valt, hulpeloos [nl]
bezsilny[pl]
ingrijpend, grondig, radicaal [nl] - pierwiastek [pl]
leidend, toonaangevend, toongevend [nl] - być przewodnikiem [pl]
trek hebben in, verkiezen, begeren [nl] - pragn±ć z całego serca [pl]
noords, noordelijk [nl] - północny [pl]
hindoeistisch [nl] - indyjski [pl]
rek, ezel, schraag, bok, bank [nl] - sztaludze [pl]
Pasen [nl] - Wielkanoc [pl]
dierlijk [nl] - zwierzę [pl]
klakken, klappen, kletteren, klikken [nl] - szczękać [pl]
graagte, eetlust, hongerigheid, trek [nl] - apetyt applaud [pl]