słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Tłumaczenie:
mikpunt, onderwerp, object, ding [nl]
oponować[pl]
affiniteit, verwantschap [nl] - powinowactwo [pl]
aansteken, doen ontbranden, aanmaken [nl] - zapłonąć [pl]
algemeen, gemeenschappelijk [nl] - błonia [pl]
yoghurt, joghurt [nl] - jogurt [pl]
collecteren, innen, inzamelen [nl] - inkasować [pl]
onderzoeken, nakijken, examineren [nl] - egzaminował [pl]
noen, middag [nl] - południa [pl]
samenkomen, bijeenkomen, vergaderen [nl] - met [pl]
auto, wagen [nl] - samochód czteroosobowy [pl]
bevattingsvermogen, intelligentie [nl] - inteligencja [pl]