słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Tłumaczenie:
dekken, beleggen, toedekken, bedekken [nl]
osłoną[pl]
soldeer, soldeersel [nl] - lucie [pl]
administratiekantoor, bestuur [nl] - zarząd miasta [pl]
baai, inham, kreek [nl] - wnęka [pl]
nodig hebben, hoeven, behoeven, moeten [nl] - potrzebować [pl]
bedelven, overstelpen, verpletteren [nl] - obezwładnia [pl]
patiënt, zieke [nl] - pacjent [pl]
scheelzien, scheelkijken, loensen [nl] - zerkać [pl]
in de plaats stellen van, inboeten [nl] - pośrednik [pl]
razen, brommen, snorren, gonzen [nl] - brzęczeć [pl]
verzenden [nl] - wysyłka [pl]