słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Tłumaczenie:
twisten, disputeren, krakelen [nl]
perswadować[pl]
aangenomen, geadopteerd [nl] - adoptowany [pl]
brengen, bezorgen, aandragen [nl] - pobranie [pl]
voorgeven, voorwenden, doen alsof [nl] - symulować udawać chorego [pl]
lange broek, pantalon, broek [nl] - sapie [pl]
opdagen, opdraven [nl] - wyłaniać (pojawiać [pl]
draaiboek, scenario, script [nl] - rękopis [pl]
ontstekingsbuis, bougie [nl] - wtyczka [pl]
Neolithicum, Jongere Steentijd [nl] - neolityczny [pl]
beneden, daarbeneden, onder [nl] - pod [pl]
brullen, huilen [nl] - wycie iwania [pl]