słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Tłumaczenie:
kachel, oven [nl]
piec mięso[pl]
met, tegenaan, tegen, jegens [nl] - przeciw [pl]
woelen, spitten, graven [nl] - pik [pl]
zevende [nl] - siódmy [pl]
bijtellen, optellen [nl] - dodaj [pl]
uitbotten, spruiten, botten [nl] - p±k [pl]
jou, aan jou, aan je, je [nl] - wy [pl]
bezorgd zijn, zich bekommeren, zorgen [nl] - dręczyć [pl]
aanslag [nl] - skala [pl]
zeebanket, haring [nl] - ¶ledĽ [pl]
pastoor [nl] - wikary [pl]