słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Tłumaczenie:
schede [nl]
pochwa[pl]
druipen, droppelen, druppelen [nl] - kapać [pl]
tong [nl] - mowa [pl]
eerstvolgend, aanstaand, komend [nl] - precz [pl]
bezitting, eigendom, bezit [nl] - dobytek [pl]
oriënteren, inwerken [nl] - błyszczący [pl]
dik, lijvig [nl] - otyły [pl]
affiniteit, verwantschap [nl] - powinowactwo [pl]
besturen, administreren, beheren [nl] - poradzić [pl]
weergalmen, naklinken, echoën [nl] - echa [pl]
vroegtijdig, pril, vroeg [nl] - wcześnie [pl]