słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Tłumaczenie:
stuurboord [nl]
prawa burta[pl]
klaar, uitgesproken, helder [nl] - dobitny [pl]
uitdenken, bekokstoven, bedenken [nl] - wynaleźć [pl]
verhaasten, bespoedigen, accelereren [nl] - przyśpieszać [pl]
sterkte [nl] - wytrzymałość [pl]
neerdruipen, afdruipen [nl] - kanalizacja [pl]
aanvoerder, baas, gebieder, chef [nl] - szef [pl]
zoet, oppassend [nl] - cukierek [pl]
aangrijpen, aantasten, aanvallen [nl] - brać się energicznie do czegoś [pl]
belang inboezemen, interesseren [nl] - odsetki [pl]
zich aaneensluiten, aansluiten [nl] - łączyć [pl]