słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Tłumaczenie:
voortmaken, spoed maken, haast maken [nl]
przyspieszyć[pl]
rand, zoom [nl] - graniczyć [pl]
gunst, begunstiging, genadigheid [nl] - faworyzować [pl]
bijzijn, presentie, aanwezigheid [nl] - obecność [pl]
dierenarts [nl] - weterynarz [pl]
antwoorden, antwoorden op [nl] - odpowiada [pl]
winkel [nl] - zapas [pl]
bezoeken, afgaan, opzoeken [nl] - odwiedziny [pl]
gaan naar, aanpakken, genaken, naderen [nl] - promować [pl]
instelling [nl] - ustanowienie [pl]
trant, wijze, manier [nl] - manierą [pl]