słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Tłumaczenie:
een sein geven, seinen [nl]
sygnał[pl]
zich eigen maken, adopteren [nl] - przysposobić [pl]
eredienst, dienst, godsdienstoefening [nl] - służbą [pl]
stil, bedaard, rustig, kalm [nl] - cisza [pl]
okee, okay, goed [nl] - dobry [pl]
uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend [nl] - obfity [pl]
flink, degelijk, deugdelijk, gedegen [nl] - stały [pl]
haver [nl] - owies [pl]
rimpelen, fronsen [nl] - bruździe [pl]
jaartelling, item, deeltje, deel [nl] - fragment [pl]
zich aansluiten, lid worden, toetreden [nl] - łączyć się [pl]