słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Tłumaczenie:
zich bekommeren, bezorgd zijn, zorgen [nl]
troska[pl]
eetbaar [nl] - żywność [pl]
nodig hebben, hoeven, behoeven, moeten [nl] - potrzebować [pl]
actie, handeling, optreden, gedoe [nl] - czynność [pl]
oppervlakte, areaal, gebied [nl] - obszar [pl]
flink, braaf, eerlijk, dapper, ferm [nl] - odważny [pl]
verbergen, ontveinzen, verhelen [nl] - ukrywać się [pl]
inderdaad, feitelijk, metterdaad [nl] - istotnie [pl]
neiging tot uitstellen [nl] - zwłoce [pl]
schragen, steunen, stutten [nl] - przechylić [pl]
aangrijpen, ontroeren, bewegen [nl] - zamieszać [pl]