słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Tłumaczenie:
accentueren, beklemtonen [nl]
akcencie[pl]
knellen, dringen, persen, drukken [nl] - męczyć [pl]
uitvaardigen, afkondigen [nl] - obwieszcza [pl]
buffer, bumper, stootkussen [nl] - bufor wyjściowy [pl]
verloren, kwijt, vervlogen [nl] - stracić [pl]
onaangetast, ongeschonden, integraal [nl] - całka [pl]
gas [nl] - gazowy [pl]
festijn, feestmaal, smulpartij, gelag [nl] - uczta [pl]
Echo [nl] - echa [pl]
degenereren, ontaarden, verbasteren [nl] - degenerat [pl]
benoeming, nomade [nl] - koczownik [pl]