słownik wyrażeń holendersko - polskich




| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |





Tłumaczenie:

isoleren, afzonderen [nl]

wyodrębniać[pl]



   haakje, kramp, nietje, klamp [nl] - zszywka [pl]
   bevredigend [nl] - zadowalający [pl]
   appelleren, een beroep doen op [nl] - uciekać się [pl]
   voorgrond [nl] - pierwszoplanowy [pl]
   babbelen, praten, keuvelen [nl] - gadanie [pl]
   aansteken, doen ontbranden, aanmaken [nl] - rozpalać [pl]
   landingsplaats, aanlegplaats, steiger [nl] - filar [pl]
   gift, geschenk, donatie, cadeau [nl] - talent [pl]
   vaan, dundoek, vlag [nl] - pasek reklamowy (na stronie WWW) [pl]
   in verzoeking brengen, bekoren [nl] - kusić [pl]