słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Tłumaczenie:
economie [nl]
ekonomika[pl]
mijden, uit de weg gaan, ontwijken [nl] - czego¶ itd. [pl]
haardos, haar [nl] - problem z bezpieczeństwem [pl]
glosse, kanttekening [nl] - połysk [pl]
aan, tegen, voor, tot, bij, naar [nl] - ku [pl]
op, omhoog, naar boven, opwaarts [nl] - powyżej [pl]
aanslaan, wortel schieten [nl] - Ľródło zasilania [pl]
knippatroon, patroon [nl] - deseń [pl]
bezoeker [nl] - wizytator [pl]
twisten, disputeren, krakelen [nl] - perswadować [pl]
aanvoeren, commanderen, bevelen [nl] - zamówić [pl]