słownik wyrażeń holendersko - polskich




| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |





Tłumaczenie:

vaas, vat, pot, pul [nl]

flakon[pl]



   papegaai [nl] - papugować [pl]
   laten, laten begaan, laten schieten [nl] - zezwalać [pl]
   rooster, hek, afrastering, traliehek [nl] - ruszcie [pl]
   aanvoeren, commanderen, bevelen [nl] - zakon [pl]
   moot, plak, snede, schijf, filet [nl] - kromka [pl]
   voortmaken, spoed maken, haast maken [nl] - popyt [pl]
   onduidelijk, troebel, vaag, duister [nl] - niejasny [pl]
   in verwachting raken, zwanger raken [nl] - wyobrazić sobie [pl]
   sluitzegel, sticker [nl] - człowiek wytrwały [pl]
   gebruiken, bikken, eten, vreten [nl] - jeść [pl]