słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Tłumaczenie:
stamelen, hakkelen, stotteren [nl]
jąkać się[pl]
gefortuneerd, rijk, vermogend [nl] - bogaty człowiek [pl]
vaart, kanaal, wijk, gracht [nl] - korytko [pl]
muntsoort, valuta [nl] - waluta [pl]
peen, wortel [nl] - marchew [pl]
handwerk, beroep, ambacht [nl] - wyznanie [pl]
span [nl] - okablowanie [pl]
evenredigheid, proportie, verhouding [nl] - proporcja [pl]
in aanmerking komen, meetellen [nl] - oblicz [pl]
afleveren, leveren, bestellen [nl] - wręczać [pl]
omsluieren, sluieren [nl] - welon [pl]