słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Tłumaczenie:
bevelen, aanvoeren, commanderen [nl]
kazać komu¶ czekać[pl]
boerten, schertsen, gekscheren [nl] - żartować z kogo¶ [pl]
constructie, bouw, aanbouw [nl] - budynek [pl]
droefheit, hartzeer, beproeving [nl] - afekt [pl]
oppompen, pompen [nl] - pomp± [pl]
bevatten, inhouden, behelzen [nl] - obejmował [pl]
te wachten staan, afhalen, wachten [nl] - wytrzymywać [pl]
in overvloed aanwezig zijn [nl] - in sth> w co¶ [pl]
vrouw [nl] - kobieta [pl]
bemantelen, bewimpelen, maskeren [nl] - maska wprowadzania [pl]
klakken, klappen, kletteren, klikken [nl] - brzęk [pl]