słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Tłumaczenie:
ieder, elk, al, iedere, alleman [nl]
każdy[pl]
koepel, paviljoen, tuinhuis [nl] - pawilon [pl]
rest, overblijfsel, rommel, afval [nl] - opierać [pl]
afgezaagd [nl] - oklepany [pl]
libel, waterjuffer, juffertje [nl] - ważka [pl]
storten, uitbetalen, betalen, dokken [nl] - żołd [pl]
huwelijksaanzoek, aanzoek [nl] - ofiarować [pl]
goedertieren, schappelijk, lankmoedig [nl] - wyrozumiały [pl]
aanvaarding, aanneming, onthaal [nl] - przyjęcia [pl]
beweging [nl] - przesunięcie w lewo [pl]
onderzoeken, nakijken, examineren [nl] - oglądać [pl]