słownik wyrażeń holendersko - polskich




| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |





Tłumaczenie:

onder de knie krijgen, meester worden [nl]

magister[pl]



   apparaat, hulpmiddelen, inrichting [nl] - aparacie [pl]
   belenden, grenzen aan [nl] - doł±czyć [pl]
   verleiden, verlokken, weglokken [nl] - ku¶ [pl]
   boekhouding, boekhouden [nl] - buchalteria [pl]
   krab [nl] - krab [pl]
   vriendelijk, voorkomend [nl] - łagodny (klimat) [pl]
   longtering, tering, tuberculose [nl] - zużycie [pl]
   afmatten, afjakkeren, afbeulen [nl] - fatyga [pl]
   klant, koper, afnemer [nl] - interesant [pl]
   uiterste wil, verbond, testament [nl] - testament [pl]