słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Tłumaczenie:
maart [nl]
marca[pl]
wellevend, beschaafd, welgemanierd [nl] - uprzejmy [pl]
buiten-, rand- [nl] - peryferyczny [pl]
ruineren, te gronde richten [nl] - rujnować [pl]
arena, krijt, piste, kampplaats [nl] - arena [pl]
aannemen, aanwerven, huren [nl] - najmować [pl]
plaats, oord, lokaal, plek [nl] - miejsce zdalne [pl]
vakantie [nl] - wakacje [pl]
richten, besturen, dirigeren, mennen [nl] - sterować [pl]
angst [nl] - trema [pl]
rugstuk, achterzijde, ommezijde [nl] - plecy [pl]