słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Tłumaczenie:
huisraad, ameublement, inboedel [nl]
meble[pl]
aangeven, aanbrengen, klikken [nl] - denuncjował [pl]
ronduit, open en bloot, rondweg [nl] - jawnie [pl]
mais, mais [nl] - kukurydzą [pl]
conducteur, bestuurder [nl] - dyrygent [pl]
klaarblijkelijk, duidelijk, blijkbaar [nl] - najwyraźniej [pl]
toejuichen, bij acclamatie benoemen [nl] - oklaskiwać [pl]
negen [nl] - dziewiątce [pl]
verdienen, winnen, behalen [nl] - zasługiwać [pl]
pimpelen, drinken, zuipen [nl] - pić [pl]
voordragen, declameren [nl] - recytować [pl]