słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Tłumaczenie:
vla [nl]
naleśnik[pl]
naar buiten brengen, dragen [nl] - doświadcza [pl]
verdeling, uitreiking [nl] - dystrybucja [pl]
alcohol, drank, alcoholische drank [nl] - trunek [pl]
dageraad, aanbreken van de dag [nl] - świt [pl]
dundoek, vaan, vlag [nl] - bandera [pl]
aanwijzing, consigne, instructie [nl] - instrukcja złożona [pl]
erkennen, bekennen, biechten, toegeven [nl] - spowiadać się [pl]
knap, bevattelijk, intelligent [nl] - inteligentny mostek [pl]
wurgen, choken, worgen [nl] - dławik [pl]
havenen, beschadigen, bederven [nl] - skrzywdzić [pl]