słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Tłumaczenie:
laag [nl]
niskiej[pl]
beker, bloemkelk, miskelk, kelk [nl] - kielich [pl]
verafschuwen, een afschuw hebben van [nl] - nienawidzić [pl]
belangrijke gebeurtenis, evenement [nl] - zdarzenie zaszłość [pl]
geweldpleging, geweld [nl] - gwałt [pl]
boetseren, modelleren [nl] - czarnoziem [pl]
morrelen, friemelen, scharrelen [nl] - trzymać [pl]
binnenste, inwendige [nl] - wnętrze [pl]
opvoeden, onderwijzen [nl] - wychowawca [pl]
afwisselend [nl] - zmieniać się [pl]
ontroeren, aangrijpen, bewegen [nl] - poruszać [pl]