słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Tłumaczenie:
agenda, dagorde [nl]
notatnik[pl]
apparaat, hulpmiddelen, inrichting [nl] - aparat telegraficzny [pl]
logies, kwartier, onderkomen, woning [nl] - gród [pl]
kavel, perceel [nl] - wiele [pl]
terugdoen, vergelden, beantwoorden [nl] - odwzajemnić [pl]
competent, deskundig, bevoegd [nl] - kompetentny [pl]
stoppen, dichten, dichtmaken [nl] - chodak [pl]
aanlengen [nl] - osłabiać [pl]
eisen, rekenen, vereisen, opeisen [nl] - postulować [pl]
zetting, montage [nl] - podniesiony [pl]
boerten, schertsen, gekscheren [nl] - gag [pl]