słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Znaleziono: 2242
bruidsschat, huwelijksgift
bruiloftsfeest, bruiloft
bruiloftsfeest, bruiloft
bruin
bruin
bruin
bruin
bruinharig
bruinharig
brullen, balken, grommen, blaten
brullen, balken, grommen, blaten
brullen, balken, grommen, blaten
brullen, huilen
brullen, huilen
brullen, huilen
Brussel
brutaal, gedurfd, stoutmoedig, stout
brutaal, gedurfd, stoutmoedig, stout
brutaal, onbeschaamd, vrijpostig
BTW
BTW
budget, begroting
budget, begroting
budget, begroting
buffel, karbouw
buffer, bumper, stootkussen
buffer, bumper, stootkussen
buffer, bumper, stootkussen
buffer, bumper, stootkussen
buffer, bumper, stootkussen
buigen, overhellen, hellen, aflopen
buigen, overhellen, hellen, aflopen
buigen, overhellen, hellen, aflopen
buigen, overhellen, hellen, aflopen
buigen, overhellen, hellen, aflopen
buik
buik
buik
buikloop, diarree
buikloop, diarree
buit
buit maken, verkrijgen, behalen
buit maken, verkrijgen, behalen
buit maken, verkrijgen, behalen
buit maken, verkrijgen, behalen
buit maken, verkrijgen, behalen
buit maken, verkrijgen, behalen
buit maken, verkrijgen, behalen
buit maken, verkrijgen, behalen
buit maken, verkrijgen, behalen