słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Znaleziono: 2242
beeldhouwen, uithouwen, uithakken
beeldhouwen, uithouwen, uithakken
beeldhouwen, uithouwen, uithakken
beeldspraak, beeld, metafoor
beeldspraak, beeld, metafoor
been
been
been
been
beërven, erven
beërven, erven
beestachtig, bruut, ruw, dierlijk
beestachtig, bruut, ruw, dierlijk
beestachtig, bruut, ruw, dierlijk
beestachtig, bruut, ruw, dierlijk
beetnemen, beetpakken, pakken
beetnemen, beetpakken, pakken
beetnemen, pakken, beetkrijgen
beetnemen, pakken, beetkrijgen
beetnemen, pakken, beetkrijgen
beetnemen, pakken, beetkrijgen
beetnemen, pakken, beetkrijgen
beetnemen, pakken, beetkrijgen
beetnemen, pakken, beetkrijgen
beetwortel, kroot, biet, mangelwortel
beetwortel, kroot, biet, mangelwortel
befaamdheid, gerucht, mare, faam
begeleider, metgezel
begeleiding, accompagnement
begeleiding, accompagnement
begeleiding, accompagnement
begeleiding, accompagnement
begeleiding, accompagnement
begeleiding, accompagnement
begeleiding, accompagnement
begeleiding, accompagnement
begeleiding, accompagnement
begeleiding, accompagnement
begenadigen, vergeven
begenadigen, vergeven
begenadigen, vergeven
begerig, gretig, happig, belust
begerig, gretig, happig, belust
begerig, happig, belust, gretig
begerig, happig, belust, gretig
begerig, happig, belust, gretig
begerig, happig, belust, gretig
begiftigen, meegeven
begin, aanvang, ontstaan
beginnend, aankomend