słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Znaleziono: 2242
behoeden, beschermen
behoeden, beschermen
behoeden, beschermen
behoedzaam, voorzichtig
behoedzaam, voorzichtig
behoedzaam, voorzichtig
behoedzaam, voorzichtig
behoedzaam, voorzichtig
behoeftig, berooid, nooddruftig
behoeftig, berooid, nooddruftig
behoeftig, berooid, nooddruftig
behoren, horen, betamen, passen
behoren, horen, betamen, passen
behoren, horen, moeten, dienen
behouden, bergen, bewaren
behouden, bergen, bewaren
behoudend, conservatief
behoudend, conservatief
behulpzaam, hulpvaardig
behulpzaam, hulpvaardig
beide, allebei, alle twee de
beide, allebei, alle twee de
beide, allebei, alle twee de
beige
beige
Beiroet
beitelen
beitelen
beitelen
bejagen, jagen, jacht maken op
bejagen, jagen, jacht maken op
bejagen, jagen, jacht maken op
bejagen, jagen, jacht maken op
bek, muil
bek, muil
bek, muil
bek, muil
bek, muil
bek, neb, tuit, snater, snavel
bekendheid, kennis, kunde
bekendheid, kennis, kunde
bekendheid, kennis, kunde
bekendheid, kennis, kunde
bekennen, biechten, erkennen
beker, bloemkelk, miskelk, kelk
beker, bloemkelk, miskelk, kelk
bekeren
bekeren
bekeren
bekeren