słownik wyrażeń holendersko - polskich
| a |b |c |d |e |f |g |h |i |j |k |l |m |n |o |p |Q |r |s |t |u |v |w |x |y |z |
Znaleziono: 946
danken, bedanken, dank betuigen
danken, bedanken, dank betuigen
danseres
danseres
dapper, ferm, onvervaard, boud, stout
dapper, kloek, boud, moedig, koen
dapper, kloek, boud, moedig, koen
dapper, moedig, koen, kloek, boud
darm
darm
darm
das
das, halsdoek, bouffante, sjaal
das, stropdas
dashboard, beschot, instrumentenbord
dashboard, instrumentenbord, beschot
dashboard, instrumentenbord, beschot
dashboard, instrumentenbord, beschot
dashboard, instrumentenbord, beschot
dashboard, instrumentenbord, beschot
dat
dat
dat
dat
dat
dat, datgene, zulks
dat, datgene, zulks
dat, datgene, zulks
dauw
dauw
daveren, bulderen, donderen
daveren, bulderen, donderen
daveren, bulderen, donderen
de hele ... door
de hele ... door
de hele ... door
de hele ... door
de hele ... door
de hele ... door
de hele ... door
de hunne, het hunne
de klankleer betreffend, fonetisch
de mijne, het mijne
de mijne, het mijne
de mijne, het mijne
de mijne, het mijne
de schouders ophalen
de schouders ophalen
de schouders ophalen
de sporen geven, prikkelen