NL2PL
słownik wyrażeń holendersko - polskich
|
a
|
b
|
c
|
d
|
e
|
f
|
g
|
h
|
i
|
j
|
k
|
l
|
m
|
n
|
o
|
p
|
Q
|
r
|
s
|
t
|
u
|
v
|
w
|
x
|
y
|
z
|
Znaleziono: 1
POKAŻ STRONĘ:
0
xerografisch
Po niderlandzku:
vlijen, leggen, neer
theologie, godgeleer
fluit
eng, griezelig
nadenkend
uitwissen, uitvegen,
onbezet, los, vlot,
twisten, disputeren,
jasje, colbert, buis
toerisme
procederen
iets
loven, roemen, verhe
eekhoorn
schatten, begroten,
doen toekomen, sture
bestraffen, straffen
gescheld
streven, zich inspan
lassen, wellen
ingrijpend, grondig,
onopgesmukt, bloot,
aangrijpen, aantaste
toerisme
Pools
afschuwelijk, afgrij
boer, page, edelknaa
verdomme, verdomd, g
achtergrond, grond,
aangrijpen, aantaste
spinnen
ronduit, open en blo
christendom
barsten, splijten, s
op de een of andere
heerschappij, bewind
steeg
aan boord
inenten, oculeren, e
tropisch
vertrouwd, betrouwba
dat, datgene, zulks
negatief, cliché
zwachtel, verband
menigmaal, gedurig,
sterrenkijker, teles
aardbeving
pictogram
mier
licht, vlot, makkeli